Verslaafd aan spelletjes

Terwijl de trein door het groene landschap denderde op weg naar Eindhoven gutste het zweet van mijn voorhoofd. “Hittegolf,” hadden ze op het nieuws gezegd en dat klopte wel. Ofschoon de raampjes in de trein overal open stonden bracht de binnenstromende lucht geen enkele verkoeling. En dan die vliegen. Grote, zwarte bromvliegen zoemden onverstoorbaar door de coupé. Die beesten zaten echt overal en ik verwenste mijzelf omdat ik tegen Mieke gezegd had dat ik vandaag wel met de trein kon.

Ik keek verstoord op mijn horloge. Nee, wij waren er nog lang niet.

Mijn medereizigers waren net als ik aan het einde van hun latijn.

Behalve dan die jongeling met zijn zwarte, vettige krullen aan de overkant van het gangpad.

Ik bestudeerde hem met afgunst.

Begrijp me goed, het ging me niet om dat haar van hem, want daar moest ik niets van hebben en ook zijn uitstraling zei me niet veel. Als deurwaarder kon ik toch moeilijk een T-shirt dragen met een grijnzende doodskop en die harige, getatoueerde armen pasten ook niet echt in het beeld van iemand met zo’n respectabele baan als de mijne.

Nee, het ging me om iets anders.

Die jongen had een iPhone van Apple en had lol voor tien. Verdraaid nog aan toe, dat joch had het nieuwste model en was zó verdiept in een spelletje dat hij de verzengende hitte in de trein niet eens scheen op te merken. Een nieuwe iPhone van Apple… dat was mijn droom.

Natuurlijk, je kon er mee telefoneren en ermee naar André Hazes luisteren, maar het ging mij toch vooral om de spelletjes op dat geweldige nieuwe iPhone scherm.

Ik zal het maar toegeven. Spelletjes zijn mijn leven. Misschien ben ik zelfs wel een beetje verslaafd. Maar beter verslaafd aan de spelletjes, dan aan de drank zeg ik altijd maar.

Mijn eigen iPhone is al jaren verouderd, maar ik heb het geld niet voor een nieuwe. Bovendien wil Mieke het niet. Toen ik er laatst om vroeg was het huis te klein. “Jij en je spelletjes,” had ze geschreeuwd. “Ik krijg er een punthoofd van.”

En hier in die trein, op die dag met woestijnachtige temperaturen zat me daar zo’n knul, een duidelijke nietsnut, met zo’n ding te spelen.

Opgewonden vroeg ik me af welk spelletje hij aan het spelen was. Hij sloeg voortdurend razendsnel met zijn knokkels op het scherm en maakte dan met zijn andere hand een machtige swipe-beweging. Als hij succes had volgde er onveranderlijk een gelukzalig kreuntje.

“Pardon,” vroeg ik hem toen wij Nijmegen gepasseerd waren, “Angry Birds?”

Hij keek verstoord op en krulde zijn lippen.

“Kweenie waar u het over hep.”

“Angry Birds” zei ik lichtelijk geïrriteerd. “Dat spel waar je boze vogels op missies stuurt om van alles stuk te gooien?”

Hij haalde zijn schouders op en ging door met spelen.

Daar ging hij weer. Met een klap belandden zijn knokkels op het fragiele scherm van zijn glanzende iPhone en meteen herhaalde hij zijn swipe-beweging.

En hij kreunde ook weer.

Even werd ik verleid om een slecht woord te gebruiken, maar ik beet op mijn lip en terwijl ik met een zakdoek het zweet van mijn voorhoofd wiste, dacht ik koortsachtig na welk spelletje dit kon zijn.

“Circa Infinity?” vroeg ik.

Geen antwoord.

“Crashlands? Sky Scrapers?”

Maar de jongen bleef maar doorgaan met spelen en antwoordde niet.

Toen werd het me teveel. Ik sprong overeind, duwde ruw de benen van mijn medereiziger opzij en stapte op hem toe.

“Welk spelletje speel je,” zei ik dreigend, terwijl ik naast hem op de met viltstift bekladderde bank van de trein plofte.

Nu keek hij me aan. Zijn verbaasde bruine ogen staarden in de mijne.

“Vliegen,” zei hij eenvoudig.

“Vliegen?” Ik keek hem niet-begrijpend aan. “Flappy wings, misschien?”

Hij schudde zijn hoofd. “Nee. Gewoon vliegen. Ik haat vliegen. Bromvliegen vooral. Ik word helemaal gek van die beesten in de trein en wij zijn nog lang niet in Eindhoven. Maar het scherm van mijn iPhone trekt ze aan en als ze er dan opzitten” – er verscheen een duivelse glimlach op zijn gezicht, “—dan zijn ze er geweest.”

Net op dat moment landde er weer een vette, zwarte bromvlieg op zijn scherm. Met een krachtige klap werd het nietsvermoedende beest naar de andere wereld geholpen en met een zwaai van zijn andere hand van het scherm geveegd. Verbaasd keek ik naar de grond. Daar lagen misschien al twintig dode vliegen. “Ik ken nie goed tege de hitte meneer. Maar me iPhone help me er wel doorheen.”

Ik staarde hem ongelovig aan.

“Ik hep niks met zo’n iPhone,” zei hij terwijl hij naar het schitterende kleinood wees. “Deze hep ik geleend van me meissie. We gaan in Eind-oven same naar het zwembad.”

Op dat moment landde er een grote, zwarte bromvlieg op mijn bezwete voorhoofd.

Ik spande mijn knokkels terwijl mijn andere hand zich klaarmaakte voor een woedende swipe-beweging.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *